Tot 1960 bestond er nauwelijks tot geen aardgasmarkt. Aardgas werd niet gezien als een interessant product. Het werd daarom - zelfs in de VS, waar al wel pijpleidingen gelegd waren - vaak afgefakkeld. Of men liet het eenvoudigweg in de grond zitten.
In oktober 1960 riep Bill Stott, vice-president marketing bij Esso in New Jersey, zijn bestuur bijeen. Aanleiding was het nieuws dat europarlementariër Victor Leemans wereldkundig had gemaakt: de Nederlandse Aardolie maatschappij (NAM) zou 300 miljard kubieke meter aardgas in Groningen hebben gevonden. Dat stond ongeveer gelijk aan 1,7 miljard vaten olie.
De NAM is een joint venture (50%/50%) van Esso en Shell. In het boek ‘Gaswinst' beschrijft Esso-ingenieur Douglass Stewart dat Shell de vondst aanvankelijk onder de pet hield. De NAM had geen exclusief recht om gas te winnen. Het bedrijf wilde waarschijnlijk andere oliemaatschappijen liever niet op een idee brengen.
Shell wilde het gas verkopen aan energiecentrales. Dat reed Esso - belangrijke leverancier van stookolie - in de wielen. "Aardgas bezorgt ons alleen maar hoofdpijn en doet niets dan de oliehandel voor de voeten te lopen", vond Bill Stott.